De menselijke natuur

Welzalig de mens wie de HEERE de ongerechtigheid niet toerekent, en in wiens geest geen bedrog is. (Psalm 32:2)

God kent de aard van de mens en zijn neigingen. Daarom kiest Hij degenen die, ook al zijn ze zondaars, een goede geest, een verlangen naar goede dingen en een goed karakter hebben. Zij hebben een puur hart en zijn transparant, zonder schijn.

Mevrouw Ester Bezerra

Stenen van het Altaar

De afgelopen dagen was ik in het heiligdom van de Tempel van Salomo en mediteerde ik over wat ik daar zag...